Engelse klanken uit de achttiende eeuw

Handel and his English contemporaries REGCD382

Ze zijn niet groot en niet talrijk. Vaak wordt hun klank verdonkerd door een Victoriaans vernis, of verdronken in een veelheid van ander geluid. Maar ze zijn er nog wel: Engelse orgels uit de achttiende eeuw. En soms verrijst er één, onverwacht, als een feniks uit de as. Zoals in Leatherhead.

 

In 1989 werd de parochiekerk van dit dorp, even ten zuidwesten van Londen, getroffen door brand. Het betekende de genadeslag voor het reeds onbespeelbaar geworden Walker-orgel uit 1873. Bij de ontmanteling van het instrument bleek dat Walker een achttiende-eeuws orgel in zijn opus had verstopt: namelijk een orgel uit 1766 van Thomas Parker. Het pijpwerk en een windlade hiervan bleken vrijwel integraal aanwezig te zijn; zelfs de originele klavieren waren nog in de kerk bewaard.

 

In 2007 werd het orgel herbouwd door de orgelmakers Goetze & Gwynn, een firma die zich de afgelopen dertig jaar als geen ander voor het bespeelbaar maken van achttiende-eeuwse orgels heeft ingezet. Uitgangspunten voor de reconstructie waren de bewaarde hoofdwerklade en aantekeningen van Walker. De ontbrekende delen werden gekopieerd uit het Parker-orgel in Great Packington (1749; met advies van Händel gebouwd voor Charles Jennens, de librettist van de Messiah). Een nieuwe kast in achttiende-eeuwse stijl werd ontworpen volgens een tekening uit het Sperling Notebook (1860; de Engelse Van ’t Kruis).

 

Onlangs heeft Robert Woolley, clavecimbel- en continuodocent aan het Royal College of Music, de klanken van dit orgel op cd gezet. Hierop is muziek te horen van Händel en tijdgenoten.

 

Het eerste wat bij het luisteren opvalt is dat het orgel in Leatherhead nogal gesloten klinkt en minder helder dan de instrumenten in bijvoorbeeld Dulwich (1760, England) of Rotherhithe (1764, Byfield). Wellicht komt dit door de akoestiek van de kerk; maar waarschijnlijk ook door de plek waar het orgel is neergezet: in een dwarsschip, met uitstraling naar een zijbeuk! Jammer dat het niet is herbouwd op de plek waar zo’n instrument thuishoort: op een koorgalerij achterin de kerk. Blijkbaar is de invloed van de Oxford Movement en de Cambridge Camden Society, waardoor west-galleries werden afgebroken en orgels voorin de kerk werden weggepropt, bij de anglicanen nog niet verdwenen…

 

Ondanks zijn slechte plek en gedempte geluid is het orgel de moeite waard om naar te luisteren. Stevig ruist het Full Organ in Händels Ouverture voor Ottone; breeduit danst de Twelfth (=Quint 3’) in de Gavotte uit deze opera; verstild klinkt de Stopped Diapason in een altzetting over ‘Jesu meine Freude’; en ondanks alles geeft de Fifteenth (=Octaaf 2’) lichtheid aan Händels speelse fuga’s.

 

Verrassend vind ik het altijd weer als een achttiende-eeuwse, Engelse Cornet minder rond en vol blijkt te klinken dan je verwachten zou. Ook in Leatherhead is dit het geval: in Voluntaries van James en Walond straalt hij bijna als een Sesquialter. Maar het is dan ook een Cornet die, met een Sesquialtra in de bas, het prestantenkoor moet bekronen. Hoe briljant en toch bescheiden zo’n chorus klinkt is in een Voluntary van Nares goed te horen.

 

Het tweede manuaal van het orgel in Leaterhead is slechts vanaf c1 bespeelbaar. Maar het pijpwerk staat wel in een apart kastje met een zwelmechaniek, zoals dat werd uitgevonden door Abraham Jordan (1712): een nag’s head swell, waarbij een schot van de kast door een jaknikkermechaniek op en neer wordt bewogen. In Voluntaries van Walond en Goodwin weet Woolley er gepast gebruik van te maken. Op dit Zwelwerk zit trouwens een fraaie Hautboy, een klein, donker trompetje, waarmee Woolley, in Trumpet Voluntaries van Boyce en Stanley perfecte echo’s maken kan.

 

Woolleys spel is zoals je van een docent aan het RCM verwachten mag: stijlvol, zodat je een prima indruk krijgt van het gereconstrueerde instrument. Het is wellicht niet zo imposant als de reuzen van Walker of van Willis. Maar als je oren zijn gewend aan de ‘special qualities of this vanished world of sound’, merk je dat deze klankwereld beslist niet onaangenaam is.

 

Overigens, over reuzen gesproken: tegen het einde van dit jaar wordt de reconstructie voltooid van het oude orgel in de Londense wijk Spitalfields. Het instrument, dat in 1735 werd gebouwd door Parkers leraar, Richard Bridge, was destijds met 34 stemmen op drie klavieren het grootste van Engeland. Iets om naar uit te kijken!

 

Handel and his English contemporaries

The 1766 Thomas Parker Organ at St Mary and St Nicholas, Leatherhead
Robert Woolley

 

Overture to Ottone HWV 15; Jesu, meine Freude HWV 480; Air in B flat HWV 469; Fugue in G minor HWV 605; Fugue in B flat HWV 607; [Verse] in F; Air in F major fron the Water Music HWV 348; Fantasie in C HWV 490; Fugue in A minor HWV 609; Voluntary on a Flight of Angels HWV 600 (Handel); Voluntary X in A minor (Walond); Voluntary VI in E minor (James); Voluntary VII in G major (Goodwin); Voluntary V in D major (Boyce); Voluntary II in G major (Walond); Voluntary VII in D major (Goodwin); Voluntary in G minor (Roseingrave); A Voluntary for the Trumpet Stop (Stanley); Voluntary in G major (Roseingrave); Voluntary VII in E flat (Greene); Voluntary XIX in C minor (Greene); Voluntary in A minor (Nares)

 

Label: Regent Records
Nummer: REGCD382
Speelduur: 78’50
Booklet: 12 pagina’s (EN)
Prijs: € 17,50

 

[button link=”http://www.orgelshop.nl/orgelnieuws” target=”_new” title=”BESTELSERVICE”][/button]