‘Geïmproviseerd orgelportret’ [RECENSIE]

Die Eule-Orgel in der Kathedrale St. Sebastian zu Magdeburg

Improvisationen von Matthias Mück & Otto Maria Krämer

Unda Maris UM-20391

Speelduur 79:52

Booklet 16 pagina’s (D, E)

In Nederland is het groot nieuws wanneer er een nieuw orgel van enige omvang, laten we zeggen van zo’n twintig registers, wordt opgeleverd. Bij onze oosterburen spreken ze dan van een klein orgel, want daar worden nog steeds met enige regelmaat orgels van pakweg vijftig registers gebouwd, al loopt ook daar het aantal nieuwbouwopdrachten terug. In het oostelijk deel van Duitsland werden eind vorig jaar twee grote nieuwe orgels in gebruik genomen: het veelbesproken Kernorgel in de Frauenkirche in Dresden en het Euleorgel in de kathedraal St.-Sebastian in Magdeburg. Van beide orgels verscheen kort na de ingebruikneming een cd.

Het orgel van de gerenommeerde firma Eule (Bautzen) in Magdeburg heeft zesenvijftig registers, verdeeld over Rückpositiv, Hauptwerk, Schwellwerk en Pedalwerk. Er is aansluiting gezocht bij de klassieke Middenduitse orgelbouw – zonder dat omschreven wordt wat dat inhoudt – en de Middenduitse romantische orgelbouw (Sauer, Ladegast), vermengt met Franse invloeden (enkele tongwerken à la Cavaillé-Coll). De houten Posaune 16’ stamt van Friedrich Ladegast, het overige pijpwerk is nieuw. De speeltraktuur is mechanisch, de koppelingen zijn deels mechanisch, deels via een barkermachine (‘Koppelbarker’, een systeem van Eule). De registertraktuur is elektrisch. Passend in de Duits-romantische traditie is het registercrescendo (wals). De vormgeving van het front is modern. Opvallend is het forse rugwerk en de benadrukking van de verticale lijnen. Op de foto maakt het geheel een ietwat onrustige indruk.

De cd die Tonmeister Christoph Martin Frommen (van het label Aeolus) afgelopen oktober opnam geeft een goede indruk van de mogelijkheden van het orgel. De vaste organist Matthias Mück en gastorganist Otto Maria Krämer presenteren het orgel aan de hand van twee- en vierhandige improvisaties. Leidraad is het kerkelijk jaar. Krämer opent de cd met variaties over Veni, veni Emmanuel, waarin hij vooral de Duits-romantisch getinte grondstemmen laat horen. Ook uit zijn overige bijdragen aan deze cd blijkt, dat Krämer zich als een vis in het water voelt op zo’n orgel met symfonische allure. Zijn improvisaties zijn buitengewoon virtuoos, maar altijd met gevoel voor vorm en verhouding. Zijn stijl heeft soms iets weg van Dupré. Krämer is als kerkmusicus actief in Straelen, vijftien kilometer ten noordoosten van Venlo. Het is mij een raadsel waarom hij in Nederland zo onbekend is – als improvisator beheerst hij een groot aantal stijlen en beschikt hij over een ongekende ideeënrijkdom. Matthias Mück hanteert een overwegend klassiek idioom. Zeer geslaagd is zijn Suite francaise über Lauda sion salvatorem, zoals de titel doet vermoeden in Frans-klassieke stijl. Ondanks de Duitse uitgangspunten blijkt het Euleorgel heel Frans te kunnen klinken.

De cd besluit met een carnavaleske improvisatie onder de titel The Owl’ Time Rag, een knipoog naar de bouwers van het orgel. Beide heren maken er een bont spektakel van, waarbij het register Vox Strigis (stem van de uil) niet ontbreekt.

Het orgel maakt tot en met mezzoforte registraties een overtuigende indruk. Zodra de mixturen en de Cornet getrokken worden is het orgel zeer luid. Het volle werk komt op mij nogal star en kil over.

De stijlvolle uitvoering in een kartonnen doosje en het keurig verzorgde boekje met daarin alle wenselijke informatie ronden dit geslaagde orgelportret af. [ERIK VAN DER HEIJDEN]

Meer informatie is te vinden op

http://www.euleorgelbau.de/

http://kirchenmusik-bistum-magdeburg.de/3910.html

http://www.orgelimprovisationen.de

© 2006 orgelnieuws.nl