Improvisatie, brug tussen verleden, heden en toekomst

Een drumstel, bugel, fluit, viool, contrabas, samen met een orgel en een koor. Een ongebruikelijke combinatie in de eeuwenoude Munsterkerk in Roermond. Er wordt gespeeld alsof het om een jazzy jam session gaat. ‘Reli-blues’ tussen de gewelven.

Zaterdag vierde Gerard Sars zijn feestje. De energieke Limburgse musicus is vorig jaar gepromoveerd op een proefschrift over de improvisatiekunst van de Haarlemse organist Albert de Klerk.

Reden voor een symposium en een paar concerten waarin de muziek van De Klerk en het thema improvisatie in de eredienst centraal stonden. Ook werd de officiële handelseditie van het proefschrift gepresenteerd.

De dag begint met maar liefst negen lezingen tijdens het minisymposium. Gelukkig gaat het om korte toespraken, afgewisseld met orgelspel. Het vorig jaar gerestaureerde orgel van de Caroluskapel waar het symposium wordt gehouden, klinkt fris onder de handen van Rob Waltmans.

In de korte lezingen komt het thema ‘improvisatie’ uitgebreid aan bod, maar er wordt ook de vraag gesteld waaraan goede kerkmuziek moet voldoen. Sacrale muziek moet heilig zijn en niet profaan, is binnen de Rooms-Katholieke Kerk vaak uitgesproken. Maar wat is precies ‘profaan’? Liederen in de grote-tertstoonladder, zei De Klerk, bijvoorbeeld. Is dat standpunt echt vol te houden?

Het gregoriaans wordt enkele keer als graadmeter genoemd. Hoe komt het dat dit door velen als ‘sacraal’ wordt beschouwd? Pater Werry van het benedictijnerklooster in Vaals zei dat paus Pius X het gregoriaans heilig noemde, maar niet waarom. Volgens Werry ligt die heiligheid in de onverbrekelijke band tussen het gregoriaans en de liturgie. Het is geen muziek om thuis te zingen.

Kerkmusicus Bert Stolwijk noemt een aantal elementen waaraan een goed kerklied moet voldoen. Zo moeten ze volgens hem ‘artistiek verantwoord’ zijn en te zingen door de complete gemeente. Artistiek verantwoord betekent niet dat een lied moeilijk moet zijn, wel dat er meer is dan emotie en hartstocht. Stolwijk had daarom niet veel op met Antoine Oomen die vindt dat muziek moet ontroeren. “Dat lukt hem vaak”, zegt Stolwijk. “Dat past goed bij de huidige emocultuur. Maar je bent niet altijd emotioneel en hartstochtelijk. Als je dat in de kerk voortdurend moet zijn, raak je uitgeput van zulke liederen, vooral de pianist.” Stolwijk laat zich er niet over uit of Oomens liederen dan wel ter afwisseling van meer ‘objectieve’ kerkliederen bruikbaar zijn. Goede kerkliederen verwoorden volgens Stolwijk tal van gemoedsuitdrukkingen. “Ze doen vreugde, maar ook troost, kracht en – laten we dat ook maar hardop zeggen – de waarheid van het evangelie ervaren.”

“Ook de zingende gemeente improviseert”, stelt dr. Anton Vernooij. Hij laat op een humoristische wijze zien en horen hoe het lied ‘O zalig, heilig Bethlehem’ in de loop van de eeuwen van gedaante veranderde. Over de restauratie in het Liedboek voor de Kerken (nr. 131) is hij matig te spreken. “Jan van Biezen deed wel alsof hij naar de oervorm terugging, maar dat is toch echt niet zo”.

Interessant is ook de korte inleiding van dr. Martin Hoondert die een analyse geeft van de melodieën die Jacques Berthier voor de gemeenschap van Taizé heeft gemaakt. De melodieën bestaan uit diverse vaste onderdelen die steeds improvisatorisch afgewisseld kunnen worden. “Het toeval voorkomt zo routine. Er is steeds een andere uitvoering.”

En dan de praktijk. De middagbijeenkomst begint in de Munsterkerk, waar een improvisatieconcert de titel ‘Silence’ (stilte) heeft. Er wordt ook enkele malen verstild gemusiceerd, wat lastig is omdat vlak bij de kerk een fanfare is neergestreken. Gerard Sars heeft enkele van zijn muzikale kinderen opgetrommeld, plus een aantal instrumentalisten en het koor van de Kreato-hogeschool voor muziek, waaraan hij als docent is verbonden. Ze geven een boeiend concert, waarin ‘reli-blues’ is te horen, maar ook een deel van een musical over het leven van Pierre Cuypers, de bekende Roermondse architect, die dit jaar wordt herdacht. Hoezo, profane muziek in de kerk?

De muziek maakt een spontane indruk, maar is natuurlijk wel degelijk voorbereid. Al is het maar omdat je met elkaar een akkoordenschema moet afspreken. Ook het atonale werk ‘Allelujah’, waarvan Sars van tevoren zei dat niets meer bekend was dan de titel, heeft een zekere structuur, die niet ontstaat als ieder doet ‘wat goed is in eigen ogen’. Hoe boeiend dit concert ook was, het kan moeilijk als voorbeeld voor de praktijk in een doorsnee parochiekerk gelden. Daarvoor waren de kwaliteiten van de uitvoerenden te hoog.

Als we uit de kerk komen, zien we dat de ‘boosdoeners’ vanuit opus 1 van Cuypers hadden gespeeld, de mooie muziekkoepel die op het Munsterplein.

Het woord is daarna aan de laatste leerling van Albert de Klerk, organiste Gonny van der Maten. In de kathedraal speelt zij werken van hem, maar ook een boeiende improvisatie. Zij kiest daarvoor als thema een hymne van de middeleeuwse mystica Hildegard von Bingen (twaalfde eeuw), die ze niet op het orgel laat horen, maar enkele keren – geheel en in delen – zelf zingt en vervlecht in haar orgelimprovisatie. Na een latijnse vesper wordt de dag afgesloten door Gerard Sars, die met vier blazers het werk Pezzo Festoso voor blazers en orgel van Hendrik Andriessen speelt.

Het is jammer dat er geen tijd is voor discussie over hoe improvisatie het beste ingebed kan worden in een kerkelijke muzikale cultuur. In theorie heeft Sars zeker gelijk wanneer hij stelt dat improvisatie een brug kan slaan tussen verleden, heden en toekomst. Maar wat doe je daar in de praktijk mee? Wat in Roermond ten gehore is gebracht, kan in een cultuur onder leiding van professionele musici. Hooguit kunnen amateurs hier iets aan hebben, als componisten in de stijl van hun improvisaties werken opschrijven, iets dat Sars overigens al enkele malen gedaan heeft. [ROEL SIKKEMA]

Gerard Sars (52) is na een conservatoriumopleiding op het gebied van orgel en kerkmuziek verbonden als docent muziektheorie en liturgie aan de Hogeschool Kreato te Thorn. Hij is onder meer deskundig op het gebied van het gregoriaans. Sars schreef diverse composities, onder meer voor orgel, blaasmuziek en de combinatie van beide. Hij zet zich onder meer in voor het gebruik van blaasmuziek in de liturgie en was medewerker aan de productie van een cd met liturgische blaasmuziek die begin dit jaar door het bisdom Roermond werd uitgegeven. Sars is verder diaken (een functie te vergelijken met pastoraal medewerker) in Posterholt en geestelijk verzorger van een zorgcentrum in Swalmen.

In zijn proefschrift stelt Sars dat Albert de Klerk betrekkelijk weinig orgelwerken heeft geschreven omdat hij improvisatie als zijn levenstaak zag. De Klerk moest niets van oppervlakkigheid hebben. Hij vond improvisatie het hoogtepunt van de muziekbeoefening, vanwege de grote vrijheid die je als musicus hebt. Maar die vrijheid blijkt pas als die zich ergens aan bindt. Daarbij valt te denken aan bepaalde toonaarden en ritmen.

In het boek analyseert Sars een aantal van De Klerks geschreven werken, die voor een belangrijk deel de uitwerking van improvisaties zijn. Sars onderzocht ook of De Klerk een eigen muzikale taal hanteerde. Zijn conclusie is positief, ook al kun je zien dat Klerk in een traditie staat die bij César Franck begon en waartoe ook zijn leermeester Hendrik Andriessen behoorde.

Naar aanleiding van …für den flüchtigen Augenblick… Der niederländischen Organist Albert de Klerk (1917-1998). Improvisation als Herzstück seines Wissens (incl. cd met drie improvisaties van De Klerk)

Gerard Sars. Uitg. Are Musik Verlag, Mainz 2007 (serie Schriften zur Musikwissenschaft). 507 blz. € 44,50

Met toestemming overgenomen uit het

Nederlands Dagblad.

© 2007 www.orgelnieuws.nl

© 2007 fotografie Juuke Schoorl