Ingelse zorgt voor gewenste zielevreugd

Canticum Novum

Christiaan Ingelse (1948), organist van de St. Janskerk in Gouda, houdt van psalmen. Dat is bijzonder. Er zijn genoeg organisten die van de melodieën van de psalmen houden, of een improvisatie of bewerking maken van een geïsoleerd vers: ‘Dan ga ik op tot Gods altaren’. Het bijzondere van Ingelse is, dat hij de psalmen als geheel ziet. Zijn cd met psalmbewerkingen telt dan ook ‘slechts’ zes nummers, waarvan er vier ongeveer een kwartier duren.

Label: Den Hertog DH8205032

Tijdsduur: 71:02

Booklet: 12 pagina’s, Nederlands, Engels.

Klik hier om dit artikel te bestellen

Ingelse heeft niet alleen bewerkingen gemaakt, de psalmen worden ook gezongen. Ook dat is bijzonder. Op sommige momenten ontstaat er daardoor een aangename orgelmisachtige sfeer. Het is geen samenzang- of koor-cd geworden. Het gaat om de orgelbewerkingen. Maar de vocale bijdrage van het koor maakt de cd heel erg af. Mogen velen er een voorbeeld aan nemen.

Nog een bijzonder aspect van de cd vormen de zangers. Het zijn studenten van christelijke hogeschool De Driestar in Gouda onder leiding van docent Kees Kramp. De meeste van de studenten zingen op zondag niet-ritmisch en de berijming van 1773 staat bij hen in hoog aanzien. Op de cd van Ingelse zingen ze niet alleen uit ‘1773’, maar ook uit de berijming uit het Liedboek voor de Kerken van tweehonderd jaar later. En: ze zingen ritmisch. Hun medewerking aan dit project moet zeker een algemeen vormend effect hebben.

Ingelse hanteert in zijn bewerkingen van psalmen 8, 33, 51, 84, 105 en 149 verschillende stijlen, schrijft hij in het boekje. Dat klopt. Maar bij het beluisteren van de cd wordt ook duidelijk dat de muziek, ongeacht de stijl, Ingelses muziek is. Niet dat zijn aanpak eenvormig is. Een persoonlijke stijl omschrijven is moeilijk. In ieder geval is de Goudse organist heel erg vindingrijk in het bedenken van harmonieën.

Neem Psalm 8. De berijming uit het Liedboek voor de Kerken heeft zes verzen en bij elk vers maakt Ingelse een impressie. Vers 2 gaat over kinderen en zuigelingen. In Distler-achtige klanken maakt Ingelse een speels tweestemmig ‘muziekje’. Het wordt nergens zeurderig. Het volgende vers gaat over de verwondering over het zonnestelsel. Ingelse komt niet met getwinkel, maar roept verbazing op door de melodie in een toonstelsel met hele afstanden te gieten. De nietigheid van de mens beeldt hij uit met voorzichtige schuifelende akkoorden (vers 4). Het voorlaatste vers meldt dat God de mens ‘bijna goddelijk’ gemaakt heeft. De componist beeldt dat uit met snelle toonladders (alsof je naar God kunt opstijgen) en dartele figuren, die hij soms ineens onderbreekt. Bijna goddelijk, maar er zit zand in de raderen.

In twee psalmen leent hij van andere componisten. Het verbond met Gods vriend Abraham in Psalm 105 beeldt hij uit met Handels Pastorale Symfonie uit de Messiah. Het ‘Genâ, o God’ uit Psalm 51 combineert het met de aria ‘Erbarme dich’ uit Bachs Matthäus Passion. Lenen is gevaarlijk, want het kan inspelen op het sentiment van de luisteraar. Maar Ingelse staat te ver boven de materie om in die valkuil te trappen. De variatie uit Psalm 51 zit zo knap in elkaar, dat – mocht Bach nog leven – hij een heel hoog cijfer van de Thomascantor zou hebben gekregen. Dat geldt ook voor de begeleiding met tegenstem van de Cornet in het laatste gezongen vers van de psalm. Zulke muziek zorgt voor ‘gewenste zielevreugd’, zoals is het psalmvers staat.

Psalm 84 is niet in variatievorm geschreven, maar is een romantische impressie aan de hand van tekst van het eerste vers van de psalm. De uitleg in het boekje brengt je in de juiste luisterhouding en dan zijn de tien minuten die het werk duurt zo voorbij.

De cd opent en sluit met virtuoze muziek. Het voorspel van Psalm 149, waarmee de cd opent, zit vol maatwisselingen, syncopen en vrije ritmes. Spannende muziek, waarna het zangtempo van het erop volgende koraal aanvoelt als iets te langzaam. Met een fantasie, fuga en koraal over psalm 33 eindigt de cd. De fantasie in 7/8 maat is geschreven in ‘gematigd modern’ klankidioom. Kennelijk wil Ingelse zijn luisteraars niet afschrikken. In de fuga verbaast hij nog een keer met een onverwacht fugathema.

Eigenlijk moet je bij een cd als deze niet zeuren over minpuntjes. Er zijn enkele en ze zijn klein. De zwakste momenten zitten bij de samenzang. Ingelse gebruikt bij het begeleiden graag mixturen. Daarmee komt hij teveel in de buurt van de vrouwenstemmen van het koor. De stemmen zijn jong en daardoor nog niet opgewassen tegen zoveel boventonen van het orgel. Ingelse maakt regelmatig een openingetje in de regeltussenspelen vlak voor de inzet van de nieuwe regel. Daarmee verstoort hij de doorgaande lijn. Gelukkig doet hij dat niet altijd. Laatste kritiekpuntje: Ingelse speelt bij het begeleiden altijd de melodie mee. Bij een groep zangers die me melodieën zo goed kent, had hij zich best nog meer vrijheden mogen veroorloven.

De laatste restauratie van het Moreau-orgel in de St. Jan is omstreden. Wat je ook van het orgel vindt, onder de vaardige handen van de vaste bespeler verstomt alle kritiek op het instrument. Christiaan Ingelse speelt trefzeker en erg muzikaal en zijn bewerkingen zijn van een hoog maar toegankelijk literair niveau. [REDACTIE]

© 2005 orgelnieuws.nl