RECENSIE Karl Hoyer’s Unbeaten Tracks

karl hoyer unbeaten tracks

Wellicht houdt uw kennis van Karl Hoyer (1891-1936) ook op bij diens grote koraalfantasie over ‘Jerusalem, du hochgebaute Stadt’, een orgelwerk dat in ons land, in mijn herinnering, vooral door Feike Asma bekendheid kreeg. Om eerlijk te zijn heeft dat werk me weinig kunnen bekoren. Zo’n ‘net-niet-Reger’.

Bij Uitgeverij Willemsen verschenen ruim twintig jaar geleden enkele korte koraalvoorspelen rond Kerst, waarvan ik wel dankbaar gebruik heb gemaakt. Hoyer weet daarin het koraalthema steeds op een verrassende wijze een plek te geven binnen de noten, waarbij hij soms gedurfde harmonieën gebruikt en – in die zin – weer verder kijkt dan zijn Reger-neus lang is. Want, leerling van Reger, maar ook van Straube, werd hij uiteindelijk organist in de Nicolaikerk van Leipzig. 

Al durft Hoyer in die koraalbewerkingen al voorzichtig wat spannender harmonisaties aan, hij blijft vooral steken in de hoog-romantische wereld achter hem en laat de jongens die hem links en rechts inhalen voor wat ze zijn. In die romantiek ligt ook zijn kracht en dat zag Reger al snel bij zijn pupil, die op jonge leeftijd overleed door een motorongeval. 

Over het algemeen blijft het in ons land vrij stil rond deze componist. Zijn naam verschijnt weinig op concertprogramma’s, al speelden onder anderen Herman van Vliet en Arjen Leistra regelmatig zijn variaties op ‘Wilt heden nu treden’. Conservatief ingestelde componisten lopen dikwijls tegen dat feit aan, terwijl collega’s die naar vernieuwing zochten doorgaans meer bekendheid genieten en frequenter worden gespeeld.

Orgelwerken

Vorig jaar verscheen er zowaar een cd met orgelwerken, gespeeld door de Poolse Anna Przybysz, in Leipzig. Op het beluisteren van die geluidsdrager volgde een zelfde conclusie: de kortere werken boeien meer dan de langere fantasieën. Nu komt Graham Barber – een groot Reger-liefhebber – met een schijf vol Hoyer. Barber schuwde in het verleden het avontuur niet om minder bekende orgelmuziek aan het grote publiek te presenteren en doet dat dus nu met Karl Hoyer.

De koraalprelude over ‘Ein feste Burg’ zou zo uit opus 67 van Reger hebben kunnen komen en her en der passeert een fragment dat aan Regers opus 27 doet denken. De melodie klinkt dan weer in het pedaal en dan weer in de cantus firmus op het manuaal, of geoctaveerd gespeeld. Aardig, maar wel een wat onsamenhangend werk.

Wat volgt zijn variaties op een kerstlied ‘O laufet ihr Hirten’, een lied dat dezelfde zoete inhoud kent als onze ‘herdertjes bij nachte’, maar dan met een wat degelijker melodie. Een boeiende variatiereeks, veel minder gecompliceerd dan zijn leermeester zou hebben geschreven. Hier laat Hoyer zien hoe bedreven hij is met het variëren op een thema, waarbij de luistermoeheid die bij ‘Jerusalem du hochgebaute Stadt’ – Barber nam die eerder op – al snel optreedt, nu geen kans krijgt. Zelfs het door Dupré gebruikte motief in zijn Zephyrs waait voorbij. Met zijn dertien minuten precies lang genoeg en zeker waard vaker uitgevoerd te worden.

Memento mori

De dood is een thema dat in de muziek niet uit de weg wordt gegaan. Requiems genoeg. En dan verschijnt de ene keer een Totentanz en vervolgens een Dance Macabre. Thema’s die niet vreemd waren voor de groten zoals Wagner, Liszt, Berlioz, Grieg of Saint-Saëns, terwijl het bij Mahler bijna een obsessie wordt.

Daar heeft Hoyer ook een handje van en daarvan getuigt diens Memento mori, dat bijna een half uur duurt. Allereerst verschijnt een treurige stoet in een dodenmars, waarbij er genoeg momenten zijn waarin de stoet de hoofden lijkt op te heffen en nog niet geheel uit het veld geslagen lijkt. Bij de Totenklage zet de stoet zich voort, maar die klacht komt lang zo sterk niet uit de verf als bij Saint-Saëns, Mahler, of in Guilmants Marche funèbre [et chant séraphique]. Er klinkt wel wat zacht gemopper, er ontstaat wat onrust, maar daar blijft het dan ook bij.

De Totentanz begint direct lichtvoetig, alsof de Elfes van Joseph Bonnet worden ingezet. In die bijna opgewekte atmosfeer kabbelt dit deel verder. Het is niet bepaald de sfeer die je verwacht bij het ten grave dragen van overledenen, alsof Hoyer de dood niet au sérieux wenst te nemen. Een onwetende luisteraar zal na afloop niet aan een dodendans denken, maar eerder aan zwaluwen die, over het water scherend, zo nu en dan kleine vliegjes aan het vangen zijn.

Het slotstuk zou opnieuw zomaar uit het oeuvre van Marcel Dupré kunnen komen. Prachtig verstilde en strijkende klanken die ten slotte de opmaat vormen voor een fortissimo. Ook daarin Dupré-akkoorden die uit de tuin van de Vêpres de la Vierge geplukt lijken, maar helaas niet tot een spannende slotapotheose leiden, waar de voormalige organist van de Saint Sulpice wel toe in staat was.

Dit is sowieso een zwak punt bij Hoyer: zijn afsluiting. Het verhaal op zich mag dan goed zijn, uiteindelijk bloedt het werk dood en dat doet afbreuk aan dat wat eraan voorafging. Als verhalenverteller maak ik dankbaar gebruik van alles wat er aan verhalen in de wereldliteratuur te vinden is, maar in veel gevallen herschrijf ik het slot. Die paukenslag is nodig om het voorafgaande te laten beklijven bij de toehoorders.

Gemoedelijke schouderklopjes 

Een miniatuur ‘Alles ist an Gottes Segen’ is niet meer dan een inleiding voor het slotstuk van de cd: de Fantasie und Fugue über ‘Wunderbarer König’, die Barber aanmerkelijk sneller – drie en een halve minuut – speelt dan Przybysz. Geen wereldpremière dus, zoals het booklet meldt. Dat hogere tempo komt de muziek wel ten goede. Het heeft die dynamiek nodig, wil het niet als een pudding in elkaar zakken. Het is wel belangrijk om de tekst van het lied naast de vertolking te leggen, zodat duidelijk wordt hoe Hoyer, in de voetsporen van Reger, de woorden ons muzikaal voorschotelt. En toch … toch weet je dat Reger je dan met zijn ferme handen in de kraag vat, terwijl Hoyer je gemoedelijke schouderklopjes geeft die je na een uur al niet meer voelt.

Niets ten nadele van Josef Rheinberger, maar dat is het gevoel dat blijft hangen. Het is goede muziek, het klopt allemaal, maar de sporen die het nalaat zijn na wat wind en een regenbui verdwenen, terwijl je na fors noodweer de voetafdruk van Max Reger nog steeds ziet staan.

Evenwel vind ik het sympathiek van Barber dat hij ook deze man hernieuwd onder de aandacht brengt. Hij doet dat met uitstekend spel op een orgel dat heel erg goed bij deze muziek past. Wie een warm hart heeft voor de Duitse orgelromantiek en de complexiteit van Reger net een stap te ver vindt, is dit prima muziek.

Waardering: 4 uit 5.

Karl Hoyer’s Unbeaten Tracks

Chorale Prelude: Ein feste Burg ist unser Gott!; Variations on a Sacred Folksong, op. 33; Memento mori!, op. 22 [Trauerzug, Totenklage, Totentanz, Verklärung]; Chorale Prelude: Alles ist an Gottes Segen; Fantasy and Fugue on the Chorale: Wunderbarer König

Graham Barber, Link/Gaida-orgel, Pauluskirche, Ulm (D)

Fugue State Records – FSRCD025, TT 64’41, booklet 12 p. EN/DU, prijs £ 14,50 | fuguestatefilms.co.uk

Lees ook
RECENSIE Sigfrid’s Unbeaten Tracks: veelzijdige en diepzinnige Karg-Elert

Nu u hier toch bent ...

Al meer dan 17 jaar leest u op ORGELNIEUWS alle actualiteiten uit het (Nederlandse) orgelleven helemaal gratis, zonder betaalmuur. En dat willen we graag zo houden!

Maar het runnen van een nieuwssite is niet goedkoop. Daarom is uw bijdrage, hoe groot of klein, belangrijk. Zo kunt u voor nu en de toekomst actueel en objectief betrokken blijven op de orgelcultuur! Het is maar een kleine moeite. Dank u wel.