20 september 2019

SCHERP Contrapunt (2): Transcripties

In CONTRAPUNT (2) schreef de columnist over de zijn kippenvel- en ‘wakkerlig’-ervaringen met orgeltranscripties. Rob van der Hilst reageert daarop en plaatst de weerstand tegen orgelbewerkingen in het historische perspectief van de periode na de Tweede Wereldoorlog. Tegelijk spoort hij ook aan tot het voortzetten van een traditie die tot ver vóór de negentiende eeuw haar wortels heeft.

Ten tijde dat een schat aan tot dan toe volstrekt onbekende orgelwerken van Heinrich Scheidemann opdoken – zo’n een halve eeuw geleden – die vervolgens door de uitgeverij Bärenreiter in drie bundels werden uitgegeven – een met vrije orgelwerken, een met koraalgebonden orgelwerken en een met Scheidemanns ‘suite’s’ van elk vier Magnificatversetten ooit bedoeld voor de alternatimpraktijk in de Hamburgse St. Catharinenkirche; tekstbezorger was Werner Breig – deinsde het beroemde muziekhuis ervoor terug om een vierde bundel uit te brengen met Scheidemanns orgelbewerkingen – ‘Colorirt’ – van andermans ensemblestukken. Pas veel later zou dit alsnog gebeuren, onder de redactie van Klaus Beckmann, maar dan bij de uitgeverij Schott.

Breig vertelde mij eens dat voor Bärenreiter het uitgeven van orgelbewerkingen, zelfs van een gerenommeerde kunstenaar als Scheidemann, toentertijd volstrekt onbespreekbaar was. Dat was dus in een vrij langdurende periode na WO2 waarin ‘oorspronkelijk werk’ en ‘oertekst’ leidend waren: bewerkingen van andermans werk, laat staan van eigen werk kónden eenvoudig niet. Geen romantische subjectiviteiten meer, maar zuiverheid, oorspronkelijkheid oftewel ‘authenticiteit’ dus. Wég romantiek met al zijn gevoelssubjectiviteiten.

Dit anti-romantisme was globaal genomen decenniënlang een ware stroming in de orgelmusiceerpraktijk, al trokken grote kunstenaars op het orgel zoals Feike Asma en Piet van Egmond zich hier geen ene zier van aan: werk van César Franck en anderen bleef bij hen op de orgellessenaar staan. En romantisch wáren hun improvisaties.

Door het hierboven geschetste naoorlogse beleid van muziekuitgeverij Bärenreiter werd wel een levensgroot Probleem geschapen dat met name bij de totstandkoming van de Neue Bach-Ausgabe (NBA) naar voren kwam. Want, hoe in hemelsnaam omgaan met de rijkdom aan bewerkingen van eigen en andermans werk van de hand van Johann Sebastian Bach zelf?

Dit Probleem werd ‘knarsetandend’ opgelost door er vanuit te gaan dat een totale uitgave van iemands (overgeleverde) werk ook totaal moest zijn, dat vanwege Bachs enorme status in muziekgeschiedenis en in het muzikale heden van een terzijde-leggen van diens bewerkingen dan ook geen sprake kon zijn en dat de kwaliteit van die bewerkingen artistiek gezien wel zo hoog was en de aard ervan zo bijzonder – Bach muteerde werk van bijvoorbeeld Reincken, Vivaldi en Pergolesi (oudere generatie, eigen generatie en nieuwe generatie) tot iets geheel ‘nieuws’, als een ‘echt’ Bachwerk – dat de betreffende stukken ook hierom in de NBA-serie thuis hoorden. En zo gebeurde dat.

Wat ik hiermee wil aangeven is dat het toenmalige ‘verbod’ dat decenniënlang gold voor het uitgeven laat staan spelen (repertoire, improvisatie) van orgelbewerkingen, alles te maken heeft gehad met een zeer sterke tendens in het naoorlogse Europa – de orgelcultuur wortelt en acteert daarin continent-breed – waarin het Subjectieve in kunst en cultuur (lees: romantiek en post-romantiek) als afgedaan werd beschouwd. Kwestie van schoon-schip-maken met een type-cultuur die, breed gezien, de grootst mogelijke ellende in Europa had veroorzaakt. Zoiets.

Anno 2013 zijn wij – gelukkig maar – op het punt beland waarin bewerkingen weer ‘mogen’. Zo beluisterde ik laatst op Radio4 een (niet-aangekondigde, dus totaal verrassende) bewerking van de solopartij van Brahms’ beroemde vioolconcert, namelijk voor piano.

Mijn enige bezwaar hiertegen was dat de bewerker in kwestie die nieuwe solopartij te voorzichtig te werk was gegaan: hij was er blijkbaar voor teruggeschrokken om de mogelijkheden van het gehele pianistische spectrum op de nieuwe solopartij, die origineel voor ‘slechts’ één enkele viool is bedoeld, leidend te laten zijn. Dat is gewoon héél jammer.

Het wachten is dus op een speeltechnische en artistieke leeuw onder de concertpianisten die dit spreekwoordelijke varkentje wél gaat wassen.

Overigens, wie durft het aan – misschien is dit al gebeurd? *) – om de enige symfonie voor orkest van Louis Vierne eens op een mogelijkheden van het (Franse symfonische) orgel toe te snijden? De handtekening van een organist zoals hij dat was, valt in alle opzichten in dit prachtige orkeststuk te beluisteren. Wat trouwens óók geldt voor de vier orkestsymfonieën van Hendrik Andriessen.

Wie durft dus?

Doe het! Maar wel met ongelofelijk veel inzicht en grote kennis van zaken en met een ongelofelijke hoeveelheid Goede Smaak natuurlijk. Orgelbewerkingen moeten hun evocatieve originelen natuurlijk nooit ‘minder’ maken. [ROB VAN DER HILST, Utrecht]

 

Naar aanleiding van

Column: CONTRAPUNT (2) – Transcripties (19/05/2013)

 

*) Noot van de redactie: de Symphonie en La, Op. 24 van Louis Vierne is een aantal jaren geleden door Thomas Schmögner in een eigen transcriptie als Symphonie Nr. 7 opgenomen op het Cavaillé-Coll-orgel van de Madeleine in Parijs. De cd verscheen op het label Edition Lade. Zie hier voor meer informatie.

 

Wilt u reageren? Dat kan natuurlijk via onze Facebook-pagina, maar ook via onze eigen ‘ingezonden brieven’-rubriek. In de rubriek ‘SCHERP’ krijgen lezers van orgelnieuws.nl de mogelijkheid om te reageren op artikelen en informatie die op deze site verschijnt. De redactie behoudt zich het recht voor ingezonden artikelen te weigeren, te redigeren of in te korten. Anonieme inzendingen worden niet geplaatst.

 

© 2013 www.orgelnieuws.nl

X