26 augustus 2019

‘Dat waren nog eens tijden’ [ 20 ]

Rózsavölgyi Zeneműbolt

In de column ‘Dat waren nog eens tijden’ blikt verhalenverteller, organist en orgelliefhebber Bert Rebergen zo nu en dan terug op de orgelwereld van enkele decennia geleden. In deze aflevering van de column: ‘Bladmuziek’.

Voor het aanschaffen van mijn eerste bladmuziek hoefde ik niet ver van huis. Mijn orgelleraar had thuis en achter het orgel in de kerk een handeltje in geluidsdragers en bladmuziek, zodat je voor en na de orgelles naar hartenlust kon grasduinen in de vele Curver-kratten vol met bladmuziek. Uit de bak met ‘Aanbiedingen’ viste je soms juweeltjes. Het waren vaak boeken die hij zelf voor zijn leerlingen had gebruikt en nu als tweedehands en voor een prikkie over de toonbank gingen.

Van een toonbank was amper sprake, want soms zwaaide je even met de boekjes die je had gekocht en betaalde je ze een week later op orgelles.

Met diezelfde bakken stond hij ook in de kerk bij de plaatselijke wandelconcerten. Een man – in de Betuwe zou men zeggen: ‘Hij het ’t goed wies kapot’ – stond die verkoop, nu ten bate van de orgelcommissie, ooit gade te slaan en raakte vermoedelijk geïnspireerd door een beroemd Bijbelverhaal: de grote kerel pakte de tafels met lp’s, cd’s en bladmuziek bij de rand vast en kieperde de boel omver. Als jonge vent stond ik aan de grond genageld, maar een mevrouw die twee koppen kleiner was dan de forse man, begon op hem in te timmeren en wist er voor te zorgen dat de snel gewaarschuwde politie hem kon inrekenen.

Waren de boeken bij mijn orgelleraar niet altijd meer ‘als nieuw’, bij Bergmann in Arnhem durfde je de orgelboeken nauwelijks aan te raken. Op keurige stapeltjes lagen ze in een hoek van een grote kast vol bladmuziek, alsof de eigenaar ze die ochtend nog even met het strijkijzer had gladgestreken. Je leek de eerste die de stapel ter hand nam.

Voor veel meer orgelmuziek moest je toch naar de speciaalzaak. Menig orgelvriend maakte er een ‘dagje’ van en toog naar Lindenberg in Rotterdam. Toen ik de eerste keer de Slaak op wandelde zag ik die lange rij naar beneden gelaten zonneschermen en wist ik dat ik daar wel even zoet kon zijn.

Terwijl stemmig geklede klanten zich links verdiepten in de laatste literatuur van christelijke bodem, toog je als orgelvriend naar de afdeling met cd’s en bladmuziek. En… in de kelder stonden bij de trap nog een paar doosjes met gebruikte boekjes.

Nog hoor ik die wat luide stem van de jonge verkoper bij de cd’s. Hij wist precies wat er net uit was en kon de klant haarfijn uit de doeken doen of de aanschaf van de gekozen cd een verstandig besluit zou zijn.
Nog steeds is het lastig om je voor te stellen dat de winkelpanden van Bergmann en Lindenberg tot andere doeleinden gebruikt worden.

Voor goedkopere boeken kon je naar Oost-Europa. In Budapest vond en vindt men een enorme muziekzaak (Rózsavölgyi Zeneműbolt) en die verkocht toentertijd eveneens bladmuziek voor orgel. Ook daar stapels met boeken, maar daar kon je niet naar hartenlust in grasduinen. De boeken lagen op alfabetische volgorde in afgesloten kastjes en je moest de amper Engels sprekende en onvriendelijke verkopers beleefd vragen of je even bij de L mocht kijken.

Soms vroeg men wat je specifiek zocht en kreeg je niet eens de kans om de hele stapel te bekijken. Dat de winkel daarmee de spontane aanschaf van andere muziek dwarsboomde besefte men niet. Dit matig ontwikkelde gevoel voor commercie veranderde evenmin wanneer je durfde te vragen of kastje B ook open mocht. Met frisse tegenzin werd de stapel op de enorme toonbank neergelegd en terwijl je boek na boek bekeek werd je argwanend in de gaten gehouden. Was een boek een millimeter opgeschoven in de stapel, dan moest je niet opkijken wanneer je een uitbrander kreeg.

Omdat de dikke bundels met werken van Bach en Liszt daar toentertijd een paar guldens kostten arriveerde je dikwijls met een grote stapel bij de kassa. Zelfs dán kon er geen lachje af, terwijl deze aankoop de eigenaar minstens een nieuwe vriezer kon opleveren.

Dit ‘weerhouden van de klant om iets aan te schaffen’ ervoer je bij Fedde Boeijenga in Sneek op een geheel andere wijze. De man genoot intens als een stel orgelmaniakken zijn winkel betrad. Onmiddellijk werd het laatste orgelnieuws besproken. Het maakte niet uit over welk orgel of welke organist het ging, Boeijenga had wel een nieuwtje of een anekdote.

Die (helaas slechts) ene keer dat ik er was stond Boeijenga achter mij, achter zijn toonbank. Verhaal na verhaal passeerde de revue, maar omdat ik met de rug naar hem toe stond, vond ik het een beetje onbeleefd om hem niet zo nu en dan met een bevestigend knikje aan te kijken. Zodra mijn hand een boek van de plank wilde halen, begon Boeijenga aan zijn volgende relaas. Als ik die middag tien boeken in handen heb gehad is het veel. Met een matig gevuld tasje aanvaardden we de terugreis.

Boeijenga – hij overleed een paar jaar later plotseling en op nog jonge leeftijd – is niet rijk van me geworden, maar het bezoek aan die bijzondere winkel bleek onbetaalbaar.

 


Bert Rebergen (*1969) is vooral onderwijsman en verhalenverteller, maar orgelmuziek mag zich in zijn grote belangstelling verheugen, niet alleen passief maar ook in de praktijk. In 1988 werd hij organist in Veenendaal. Daar en daarbuiten bespeelt hij, tot de dag van vandaag, menig instrument. Sinds 2009 treedt hij als verteller en presentator op in het gehele land.

 

© 2016 beeld archief ORGELNIEUWS

4 Reacties op ‘Dat waren nog eens tijden’ [ 20 ]

  1. Zeer herkenbaar! Nooit zal ik vergeten dat ik op zoek was naar een uitgave van Muffats ‘Apparatus musico-organisticus’ en daarvoor telefonisch contact zocht met Boeijenga. Ik hoor hem in zijn onvervalst Friese accent nog zeggen: ‘Maakt u zich maar geen zorgen. Ik zal eens even een paar mooie toccata’s voor u uitzoeken!’. Spijtig is ook dat dit soort speciaalzaken ook in het buitenland hoe langer hoe meer lijken te gaan verdwijnen. Vorige week was ik in Cambridge en heb daar de karakteristieke muziekhandels van weleer als ‘Cambridge Music Shop’ en ‘Brian Jordan’ erg gemist.

  2. Prachtig verhaal. Ik herinner me nog een bezoek aan Boeijenga. Ik wilde de 40 variaties over Vater unser van Johann Ulrich Steigleder hebben. Boeijenga aarzelde geen moment, pakte een trap en haalde het boek zo tevoorschijn.
    Lindenberg was ook een begrip. Als je daar op zaterdagmiddag kwam stond de winkel stampvol. Onbegrijpelijk dat zo’n mooie zaak relatief snel verdwenen is.

  3. Heel herkenbaar. Zelf ook vaak in Arnhem, Rotterdam en vooral ook Amsterdam bij Saul Groen, de Muziekbeurs en uiteraard Broekmans.
    De meeste Peters banden (Bach e.a.) kocht ik in Oost-Berlijn op de Unter den Linden. Voor de onvrijwillig gewisselde Oostduitse Marken. En deed je er een paar Westduitse Marken bij, dan was je boekentas te klein om alle bladmuziek mee te nemen.

  4. Leuk verhaal weer, er is veel dat ik herken. Fedde Boeijenga was een dief van zijn eigen portemonnaie. Door al zijn gezeligge ge-o.h. kwam je er soms niet eens aan toe om muziek en boeken te bekijken en uit te zoeken… In Den Haag had je vroeger muziekhandel Van Eck: een even statige als strenge en stoffige muziekwinkel waar het echt niet de bedoeling was om zelf rond te neuzen. “Kijken en niet kopen” was altijd het sacherijnige commentaar van de gebochelde eigenaar die al minstens 200 jaar in de zaak rondschuifelde. Gelukkig was er ook nog Albersen Muziek. Maar, net als bij Lindenberg, werkten ook daar orgelliefhebbers die je gevraagd en ongevraagd van nieuwtjes en anekdotes voorzagen, waardoor je tijd te kort kwam. Ik vraag me wel af hoe lang de bladmuziekwinkels nog zullen bestaan. De voorraad is soms onbegrijpelijk (bepaald door grossiers?) en het gemak van internetwinkels (SheetMusicPlus, Bodensee, Banks etc.) is niet te ontkennen.

Reacties zijn gesloten bij dit onderwerp.

X