21 juli 2019

Bach, het kerklied en het orgel – afscheidsbundel voor Jan R. Luth

boek bach, het kerklied en het orgel

Eind vorig jaar werd op deze plek al kort aandacht besteed aan de verschijning van ‘Bach, het kerklied en het orgel’, de bundel die is aangeboden aan dr. Jan Luth bij zijn afscheid als docent liturgiewetenschap aan de Faculteit Godgeleerdheid van de Rijksuniversiteit in Groningen. Deze afscheidsbundel is gevuld met artikelen over drie terreinen waarmee Luth zich, als universitair docent, als medewerker van het Instituut voor Liturgiewetenschappen (sinds 2010: – voor Christelijk Cultureel Erfgoed) èn als kerkmusicus, heeft beziggehouden. Joost Veerman haalt de bijdragen die over het orgel gaan hier graag nog eens voor het voetlicht.

 

Middeleeuwse orgels in dorpskerken

In dit artikel vraagt Luths voormalige instituutscollega, de cultuurhistoricus dr. Justin Kroesen, aandacht voor de orgels die tijdens de middeleeuwen in dorpskerken zijn gebouwd. Uit dit artikel blijkt dat er vooral rond de Eemsmonding veel te vinden waren.

In Oost-Friesland in Rysum (1457), alsmede in zes andere dorpen rond Emden. In de Ommelanden uiteraard in Krewerd (1531) en in Scheemda (1526; in depot Rijksmuseum), maar ook in Winsum (1431), Westerwijtwerd (1544), Tinallinge (1549), Middelstum (1550), Loppersum (1562), Leermens (1571) en Zuidbroek (1578). Blijkbaar was de bevolking daar zo welvarend dat men zich deze luxe kon veroorloven.

Met de orgels van Oosthuizen (1521?), Altenbruch (1498), en het Sleeswijkse Garding (1512), lijkt de streek langs de Noordzee met kop en schouders uit te steken boven de rest van Europa, waar slechts sporadisch een middeleeuwse dorpsorgel te vinden is: in Wales in Old Radnor (ca.1500-30), in Zuid-Frankrijk in Solliès-Ville (1499), in Zwitserland in Visperterminen (1563), in Midden-Duisland in Kiedrich (ca.1500), en in Zweden op Gotland (1370; 1400).

Bovendien is aardig om in Kroesens artikel te lezen dat, in vergelijking met overig Europa, in Nederland een groot aantal middeleeuwse/voorreformatorische stadsorgels bewaard gebleven is: die in/uit Leiden (1446/1518/1541), Groningen (1479/1542), Utrecht (1479/1547), Utrecht (1509), Alkmaar (1511), Amsterdam (ca.1525), Schoonhoven (1540), Enkhuizen (1549), Hattem (ca.1550), Harenkarspel (ca.1550; in depot Rijksmuseum), Schiedam (ca.1550), Gouda (1556), Brouwershaven (1557), Wijk bij Duurstede (1565), Leiden (1565) en Amsterdam (ca.1565).

 

Orgelmanuscripten van Zuidhof en Kittel

De hymnoloog Prof.dr. Robin A. Leaver vertelt over het Psalm-boek | voor het | orgel | M.J. Zuidhof, dat in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag wordt bewaard. Het is gemaakt door Marten Jellen Zuidhof (1737-1817); hij was onderwijzer en voorzanger/organist in dorpen rond de Dollard, medeoprichter van het ‘Genootschap der Mathematische Wetenschap’ te Amsterdam (1778) en schrijver over mathematica.

In het Orgel-boek dat hij rond 1780 vervaardigde, geeft hij ‘een zamenstelsel van het nuttige en noodige, wat iemant in een Orgel:Ps.boek wenschen kan’. De melodieën van de Geneefse Psalmen en van vijf Eenige Gezangen staan in dit boek genoteerd over twee pagina’s, en zijn voorzien van vijf tot zeven becijferde bassen. Eén van deze baslijnen is van Zuidhof zelf, de overige zijn van tijdgenoten, en komen uit het koraalboek van C.F. Hurlebusch (Oude Kerk, Amsterdam), en uit manuscripten van Dirck van Tjaden (Noordbroek), Joh. Eijtzen (Der Aa-kerk), en J.W. Lustigh (Martinikerk, Groningen); van Lustigh zijn soms wel twee of drie baslijnen genoteerd.

Zuidhofs orgelboek, dat een uitstekend hulpmiddel is voor minder kundige spelers om de psalmen passend en gevarieerd te begeleiden, is verwant aan het in 2007 ontdekte Choralbuch van Joh.Chr. Kittel (1732-1809). In dit manuscript zijn, eveneens verdeeld over twee pagina’s, 189 melodieën van Lutherse koralen te vinden, met daaronder drie tot vijf becijferde bassen. Van Joh.Ph. Kirnberger (1721-1783) is zelfs een ‘Allgemeines Choralbuch’ met 245 melodieën en drie tot elf baslijnen bewaard.

De koraalboeken van deze Bachleerlingen komen volgens Leaver voort uit de onderwijsmethode van J.S. Bach, die, aldus C.Ph.Emanuel in 1775, zijn pupillen leerde harmoniseren tussen een melodie- en een baslijn, en hen daarna zelf bassen liet maken.

 

Petrus van Oeckelen en zijn eerste orgel

Lezenswaard is hetgeen Peter van Dijk over Petrus van Oeckelen te berde brengt. Van deze negentiende-eeuwse orgelmaker is geen bedrijfsarchief bewaard gebleven. Dankzij gedigitaliseerde en op het internet te raadplegen kranten, archieven en bevolkingsregisters heeft hij echter veel gegevens over de orgelmaker en zijn werk kunnen achterhalen.

Zo weet Van Dijk te vertellen dat Van Oeckelen (1792-1878) afkomstig was uit een muzikaal en creatief nest in Breda: zijn vader was klokkenist en uurwerkmaker, zijn oudere broer organist en beiaardier, zijn jongere broer uitvinder van o.m. de achordische piano (1831) en de klavier-hautbois (1833). In 1809 vertrok Petrus, 18 jaar oud, naar Groningen en werd daar beiaardier van de Martinitoren. Als organist, pianist, cellist, contrabassist, componist, docent en dirigent had hij een prominente plek in het Groninger muziekleven. Bovendien was hij actief als maker van (muziek)instrumenten, zoals een waterkrachtmeter (1833), een bonen- & erwtenzaaier (1840) en een (nog bestaande) speeltrommel voor het carillon in Middelstum (1857). In 1814 nam hij op een kanonneerboot als dienstplichtige deel aan het beleg van Delfzijl (dat door Franse troepen werd bezet). En in 1819 bouwde hij zijn eerste orgel: in de Hervormde Kerk in Assen (11/IaP; sinds 1897 in Havelte).

Volgens Van Dijk is het waarschijnlijk dat Van Oeckelen hiervoor de kunst had afgekeken bij-, en materiaal kreeg van de evenals hij rooms-katholieke J.W. Timpe (1770-1837). Wellicht bezat hij zelf al een loodpletmolen: in een advertentie uit 1822 biedt hij er één te koop aan. De lof die Van Oeckelen met zijn eersteling oogstte, leidde slechts tot kleine opdrachten. Pas na de dood van Timpe (1837) zou hij als orgelmaker furore maken – te beginnen met de dispositiewijziging van de Schnitger in Zwolle (zijn Viola zit er nog), en de bouw van het orgel in Strijen (21/IIaP).

 

Het Protestantse kerkinterieur rond 1900

In dit artikel vestigt architectuurhistoricus dr. Kees van der Ploeg de aandacht op het feit, dat in veel van de rond 1900 gebouwde kerken het orgel boven de kansel is gezet. In zijn tekst komen indrukwekkende, inmiddels niet meer bestaande ensembles voorbij, zoals dat van de Grote Kerk in Hoorn (Muysken, 1883) met zijn verfijnde Witte-orgel (1889), dat van de Koninginnekerk in Rotterdam (Hooykaas & Brinkman, 1907) met zijn plompe Steenkuyl (1908), en dat van de Rotterdamse Nieuwe Zuiderkerk (Kuipers, 1916) met zijn sierlijke Walcker (1916). Jammer is dat niet alle genoemde voorbeelden, zoals de Remonstrantse Kerk in Rotterdam, de Badkapel in Scheveningen, de Adventskerk in Alphen en de Grote Kerk in Apeldoorn, met een afbeelding zijn geïllustreerd.

Van der Ploeg besluit zijn artikel uiteraard met een beschrijving van het interieur van de Noorderkerk in Groningen (Kuiler en Drewes, 1920) met zijn bevallige Rohlfing (1923): het is de kerk waar Luth opgroeide en waar hij van 1992 tot 2008 organist was.

 

Het Reil-orgel van de Noorderkerk in Groningen

In 1982 werd de romantische Rohlfing uit de Noorderkerk verwijderd en vervangen door een nieuw orgel van de fa.Reil. De overwegingen die tot de aanschaf van dit, door de Noord-Duitse barok geïnspireerde instrument hebben geleid, worden door Harmen Trimp uitvoerig uit de doeken gedaan. Zijn artikel roept de vraag op wat voor gevleugeld snijwerk de beide orgels heeft gesierd: was nou het een engel (Trimp) – of een adelaar (Van der Ploeg)? In Wapenveld, waar de Reil na de sluiting van de Noorderkerk terechtkwam, is het niet meer na te gaan: het beeld is daar van de kast gevlogen …

 

Nadenken over orgelmuziek

In een diepgravende bijdrage overweegt Prof.dr. Hans Fidom gedachtegoed van Suze Langer (1895-1985). Deze Duits-Amerikaanse filosofe heeft zich beziggehouden met de vraag wat muziek zeggen wil (On significance in music; 1942). Zij betoogt dat muziek niet primair een middel is waarmee een componist zijn gevoelens op de hoorder probeert over te brengen (C.Ph.E. Bach; 1762): er zijn immers veel meer muzikale vormen dan dat er gevoelens zijn. Evenmin is muziek iets als een taal, waarmee natuurgeluiden, gebeurtenissen of gevoelens worden aangeduid (zoals in programmamuziek of in romantische muziek): muziek bestaat uit oneindig veel klanken(combinaties) die in principe geen van al een bepaalde betekenis hebben. Toch is muziek zeer ‘significant’ (betekenisvol). Maar dat komt omdat haar ‘tönend bewegte Formen’ (Hanslick) verwant zijn aan die van ons gevoel; daardoor kan muziek ons binnenste ontsluieren op een wijze waarop de taal dat niet kan.

Bij het musiceren moeten we ons, aldus Fidom, daarom niet laten belemmeren door ‘woorden’ (c.q. geen Wet van Meden en Perzen maken van wat geschreven is over uitvoeringspraktijk), maar de muziek haar eigen taal laten spreken. Wanneer dat gebeurt, is het geen probleem wanneer een Bachwerk op de door Luth zo geliefde Hinsz in Harlingen anders wordt geregistreerd en uitgevoerd dan op de Reil in Wapenveld.

 

 


Bach, het kerklied en het orgel

Studies uit de kerkelijke ‘achterhoek’ aangeboden aan dr. Jan R. Luth

Jaco van der Knijff, Justin Kroesen en Jan Smelik (red.)

Inhoudsopgave
• Jaco van der Knijff & Jan Smelik: Jan Luth en de hymnologie in Groningen
• Arie Eikelboom: ‘Himmelskönig, sei willkommen’ (BWV 182). Een analyse van de eerste twee delen
• Jan Smelik: Sterven en eeuwig leven verklankt in Bachs ‘Actus tragicus’ (BWV 106)
• Andreas Marti: Hymnologie als onmisbare theologische discipline
• Jaco van der Knijff: Een pinksterlied voor de boeren in Overijssel
• Anton Vernooij: ‘Oude en nieuwe lofsange’. Het eenstemmige rooms-katholieke geestelijke lied in de achttiende eeuw
• Robin A. Leaver: Een Nederlands Psalm-Boek en een Duits Choralbuch. De orgelmanuscripten van Zuidhof en Kittel
• Sybe Bakker: Een boventallig Davidslied. Vier eeuwen herdichtingen van Psalm 151
• Johan Meijer: Scheppend vrucht van de lippen. Over liederen van Tom Naastepad
• Hans Fidom: Nadenken over orgelmuziek: leren van Langer
• Justin Kroesen: Middeleeuwse orgels in dorpskerken
• Peter van Dijk: Petrus van Oeckelen en zijn eerste orgel
• Kees van der Ploeg: Het orgel als onderdeel van het protestantse kerkinterieur rond 1900
• Harmen Trimp: Historiserende orgelbouw in een gereformeerde kathedraal. Een geschiedenis van het Reil-orgel van de Noorderkerk in Groningen (1982-2008)

 

Het boek kost € 15 (plus € 4,50 porto- en verzendkosten) kan besteld worden via de website van de KVOK. Toezending van het boek vindt plaats na ontvangst van het verschuldigde bedrag.

X