Gillian Weir – Ulster Hall, Belfast

Gilian Weir is geboren in Nieuw-Zeeland, en geldt als één der meest toonaangevende concertorganisten in Engeland. Al op 19-jarige leeftijd won ze een prijs voor piano en niet veel later een scolarship voor piano- en orgelstudies aan de Royal School of Music in Londen. Haar leraren waren Cyrill Smith (piano) en de fameuze Ralph Downes (orgel).

Haar doorbraak kwam in 1964 toen zij o.a. met werk van Messiaen het St. Albans concours in 1964 won. Ze is één van de belangrijkste pleitbezorgsters van diens werk. Sindsdien ontwikkelde Weir zich tot een organiste van wereldfaam. Zij is ook actief als docente (masterclasses) en schrijfster van belangwekkende artikelen. Gilian Weir ontving vele belangrijke prijzen en onderscheidingen en liefst vier eredoctoraten aan Engelse universiteiten. In 1996 werd ze geridderd tot Dame Commander of the British Empire (CBE).

Het zeer verzorgde tekstboekje beschrijft uitgebreid de geschiedenis van orgel dat gebouwd is in 1861 door William Hill met veranderingen in 1903. In 1978 heeft de firma Noel P, Mander Ltd. het instrument grondig gerestaureerd en op redelijk discrete wijze nieuwe registers aan het aanwezige bestand toegevoegd. Momenteel telt het instrument 69 stemmen verdeeld over vier klavieren en pedaal. Ook de organiste beschrijft in warme bewoordingen het Hill/Mander-instrument en licht uitgebreid haar inderdaad zeer veelzijdig programma toe. Een veelzijdigheid die varieert van beschaafd populair tot modern (lees: 20e eeuws). Ook de registraties bij elk stuk staan uitgebreid vermeld. Gezien de indrukwekkende status van onze Engelse “vorstin der organisten” wekt de CD hooggespannen verwachtingen. Zeker is dat Weir over een sublieme techniek en rake precisie beschikt en daar op een fenomenale wijze mee om weet te gaan .Toch roepen haar artistieke opvattingen wel degelijk vragen op. Ook zonder al te veelvuldig gebruik van de fanfaretrompet klinkt het smeuiig-mondaine werk Coronation March (uit de opera Le Prophète) van Giacomo Meyerbeer spectaculair genoeg. Mendelssohns overbekende variaties op het Vater Unser zijn toch wel in een erg rap en nuchter gespeeld jasje gestoken. Vooral de laatste virtuoze variatie ontbeert toch helaas diepgang. Nog voortvarender gaat Weir te werk in het bekende Moto Ostinato (uit Sonntagsmusik) van de begaafde Tsjechische componist Petr Eben. Voor wie er van houdt is het één grote flitsende sensatie, maar wie echter kritischer luistert, mist toch een meer weloverwogen visie op deze karakteristieke compositie. Pas in de onversneden romantiek van Frank Bridges Adagio in E worden we aangenaam verrast: door prachtig uitgekiende registraties en een heel bewogen en toch uitgebalanceerde interpretatie. Antonio Valentes Lo Ballo del ’Intorcia krijgt het wel erg voor de kiezen met de fanfaretrompet. Hij was rond 1570 organist in Napels. Ook Domenico.Zipoli wordt door Weir wel naalderig uitgevoerd. Onze puriteinse collega’s ten spijt klinkt Frescobaldi’s Toccata per l’Elevazione betoverend mooi onder Weirs handen. De Voluntary in G van Stanley en Bachs beroemde Concerto in g vinden een acceptabel onthaal. Vooral het werk van Bach kan best tegen een stootje en leent zich prima voor Weirs vitale benadering. Wonderlijk is daarentegen de voorliefde van Weir voor de Fanfaretrompet in Joie et Clarté des Corps glorieux uit Messiaen’s cyclus Les Corps glorieux. Het kleurrijke, soms bijna bluesachtig werk van krijgt hierdoor bijna iets karikaturaals.

César Francks Choral II is in haar visie een spannend jongensverhaal. Locale opvattingensverschillen daargelaten krijgt dit werk in zeer verzorgde registraties een grote lijn en lading mee. Het charmante snoepje Rosace (uit Esquisses Byzantines) van Henri Mulet is even een welkome verademing. Na drie werken van Louis Couperin bereikt Weir het hoogtepunt van deze cd in meesterlijke vertolkingen van twee stukken van Marcel Dupré: zijn fraaie Cortege et Litanie, een vroeg pianowerk dat later voor orgel en orgel en orkest is omgewerkt, en zijn Allegro deciso (uit Evocation) uit 1942. Nu is Weir niet alleen virtuoos, ze benadert ook met een grote innerlijke beheersing alle technisch-muzikale aspecten die zo kenmerkend zijn voor het werk van Dupré. Hierin bewijst Gilian Weir zich inderdaad als een “organisten-vorstin”. [KEES WEGGELAAR]

 


Gilian Weir plays the 1861 William Hill

Mulholland Grand Organ in the Ulster Hall, Belfast

Werken van G. Meyerbeer (1791 -1864), F. Mendelssohn (1809-1847), P. Eben (1929-), Fr. Bridge ( 1879-1941), A. Valente,(16e eeuw), D. Zipoli (1688-1726), J. Stanley (1712-1786), J.S. Bach (1685-1750) (CD I) / O. Messiaen (1908-1992), C. Franck (1822-1890), H. Mulet (1878-1967), F. Couperin (1868-1733), M. Dupré (1886-1971) (CD II)

Label: Priory Records, PRCD 6000