Tien plus twee vragen aan Jan J. van den Berg

Het is lang niet iedereen gegeven: met 86 levensjaren nog steeds actief zijn als kerkorganist. Jan J. van den Berg is dat wel, inmiddels alweer 70 jaar. Dat jubileum wordt op zaterdag 23 januari gevierd met een concert in de Grote Kerk te Schiedam. Twee organisten die onder zijn gehoor hun eerste muzikale indrukken opdeden en hem bij concerten assisteerden, Wim Hazeu en Arjen Leistra, zullen dan werk van Van den Berg spelen. Zelf neemt de jubilaris ook plaats achter de klavieren. Arjen Leistra stelde hem tien plus twee vragen.

Zeventig jaar organist. Hoe is het allemaal begonnen?

In november 1945, toen ik 16 jaar was, kreeg ik mijn eerste organistenbenoeming in de Gereformeerde Kerk in Hersteld Verband in mijn geboortestad Amersfoort. Toen dit kerkgenootschap na een half jaar werd opgeheven en zich voegde bij de Nederlands Hervormde Kerk werd ik in november 1946 organist van de Emmakerk te Soest. Daar ben ik 6 ½ jaar organist geweest, totdat ik in mei 1953 organist werd van de Nieuwe Kerk te Delft.

Hoe is de benoeming tot organist van de Nieuwe Kerk te Delft in zijn werk gegaan?

Eind 1952 kreeg ik van een goede vriend in Amersfoort te horen dat de organistenfunctie van de Nieuwe Kerk te Delft vacant zou worden, omdat de toenmalige organist Dirk Jansz. Zwart zou vertrekken, terug naar de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt in Rotterdam. O.m. Adriaan C. Schuurman raadde mij aan om in Delft te solliciteren. Uit de vele sollicitaties werd ik in januari 1953 met nog vier anderen uitgenodigd voor een vergelijkend proefspel. In de commissie zaten Stoffel van Viegen, Adriaan C. Schuurman en ir. Van Colmeschate. Na twee speelrondes werd ik voorgedragen en volgde mijn benoeming op 1 juni 1953.

Hoe was de positie van de professionele kerkorganist zeventig jaar geleden in vergelijking met nu?

Mijn weg in Delft ging zeker de eerste jaren niet over rozen. Het was de tijd van standsverschillen. De dominee maakte de dienst uit, en de organist had maar te gehoorzamen. Zo zei in juli 1953 een predikant bij een trouwdienst mij: ‘Ik wil hebben dat jij bij het uitgaan het bruidslied van Wagner speelt’. Toen ik op rustige toon antwoordde ‘dat doe ik niet’ werd de dominee witheet van woede en zei: ‘dat heeft nog nooit iemand tegen mij gezegd’. Toen antwoorde ik: ‘Dan heeft u het net voor het eerst gehoord’. Ik werd op het matje geroepen bij de kerkvoogdij en te verstaan gegeven dat ik moest doen wat de predikant mij opdroeg, anders volgde er ontslag.
Later, met het invoeren van de regeling voor de kerkmuziek in 1973, werden de rechtspositie en de salariëring van kerkmusici gelukkig beter. Maar al met al heb ik in de loop der jaren wel de nodige conflicten gehad met predikanten en kerkvoogden.
Terugkijkend vormen mijn jaren in Amersfoort en Soest de meest harmonievolle tijd van mijn loopbaan als kerkorganist.

Welke momenten waren in de afgelopen zeventig jaren hoogtepunten voor u?

De talrijke plechtigheden van het koninklijk huis die plaatsvonden in de Nieuwe Kerk , zoals de bijzetting van het lichaam van Willem V in 1958 en natuurlijk de begrafenis van Wilhelmina op 8 december 1962. Dat was wat! Het Bätz-orgel was in zo’n slechte staat dat tijdens de plechtigheid drie werknemers van Flentrop Orgelbouw in het orgel zaten om eventueel optredende storingen onmiddellijk te kunnen verhelpen. Maar gelukkig is er toen niets gebeurd.
Ik kijk ook met genoegen terug op de jaarlijkse Bach-herdenkingen die ik verzorgde in de Nieuwe Kerk te Delft. Er kwamen altijd honderden bezoekers op af. In de Oude Kerk in Amsterdam speelde ik van 1978 tot 1985 zelfs drie Bach-herdenkingen per jaar, altijd voor minstens 500 man publiek! In 1979 heb ik in de Oude Kerk ook een Bach-LP mogen opnemen.

Wat maakte uw interpretatie van Bachs orgelwerken zo speciaal?

Daar heb ik niet echt een verklaring voor, of het moet de innerlijke intentie zijn die in mij leeft, en die tot uiting kwam. Bach is voor mij altijd boven alles uitgegaan. Ik noem hem niet voor niets de hogepriester en de profeet. Het is het evangelie waar ik in geloof. Hij is voor mij geloofwaardiger geweest dan alle predikanten die ik al die jaren heb gehoord.

In het binnenland heeft u de afgelopen zeven decennia talloze orgelconcerten gegeven. Heeft u nooit de ambitie gehad om in het buitenland te concerteren?

Ambities niet, en ik miste ook de nodige relaties daarvoor. Mijn enige buitenlandse orgelconcert was in Castrop-Rauxel, een plaatsje bij Düsseldorf op een groot, log pneumatisch orgel.

De uitvoeringspraktijk van oude muziek heeft de afgelopen vijftig jaar een enorme ontwikkeling doorgemaakt. In hoeverre heeft u deze ontwikkeling gevolgd, en heeft het uw interpretatie van oude muziek beïnvloed ?

Helemaal niet. Ik laat me niets door anderen voorschrijven. Ik steek graag iets op van anderen die me kunnen overtuigen van iets dat zin heeft. Maar dat moeten wel mensen zijn die hoger staan dan ik, zoals in het verleden Adriaan C. Schuurman, Lambert Erné en Feike Asma met wie ik ook allen goed bevriend ben geweest en mij hebben geïnspireerd. De oude muziek heb ik altijd prachtig gevonden, maar van die zogenaamde historische uitvoeringspraktijk, met een kieteltje zus en een trillertje zo, moet ik niets hebben.

Een rode draad door de afgelopen 70 jaar is ook het componeren. Hoe zou u uw stijl kunnen karakteriseren? Wie en wat heeft u hierbij beïnvloed?

Hierin ben ik door Adriaan C. Schuurman opgevoed en vooral ook geïnspireerd. Wie ooit zijn improvisaties heeft meegemaakt, door ernaar ter luisteren en te kijken, vergeet dat niet alleen nooit meer, maar zegt ook: ‘Wie zal dat evenaren?’ Als hij een fuga improviseerde, dan wás dat ook een echte fuga. De canon was zijn specialiteit. Zoals hij dat kon, heb ik daarna door geen mens meer horen doen. Organisten gingen op zondag speciaal naar Amersfoort om Schuurman te beluisteren en iets op te steken.
Over zijn muzikale stijl zei Schuurman zelf: ‘Franck en Reger zijn mijn geestelijke vaders’. En dat kon je merken aan zijn composities. En ook aan de mijne.

U functioneert op 86-jarige leeftijd nog steeds als kerkorganist en orgeldocent en u geeft nog regelmatig orgelconcerten. Wat is uw geheim dat u tot op hoge leeftijd alles nog in redelijke gezondheid kan doen?

Dat zou ik niet weten. Ik verkeer gelukkig nog in redelijke gezondheid, heb bijvoorbeeld geen last van reumatiek. Maar van lieverlee merk ik wel dat ik ouder word. Daar is niet aan te ontkomen.

Is uw muzikale loopbaan voltooid? Heeft u misschien nog wensen of ambities?

Ach, op mijn leeftijd heb je geen wensen meer. Mijn enige grote wens, die boven bidden en denken tot stand gekomen is, is de uitbreiding van het orgel in de Nieuwe Kerk  met een Bazuin 32’ geweest. Er rustte niet veel zegen op, maar hij heeft er toch nog 8 ½ jaar, van 1985 tot 1994, ingezeten. Ik heb destijds alle Bazuinen 32’ in Nederland beluisterd, maar geen enkele kon tippen aan deze. Orgelbouwer Van der Veer heeft hem destijds geïnstalleerd, met behulp van een Duitse intonateur en onder mijn leiding. Het was een groot succes. Gelukkig is de klank vastgelegd tijdens diverse concerten en radio-opnamen.

Er groeit momenteel weer een nieuwe generatie organisten op. Welk advies wilt u ze meegeven?

Kijk en luister naar je voorgangers.

Op 23 januari viert u uw jubileum in Schiedam, de kerk waar Adriaan Schuurman in de jaren 30 van de 20e eeuw organist geweest is. Kunt u iets vertellen over uw programma?

Ik open met een bewerking over Psalm 75 van Schuurman, gecomponeerd in mijn geboortejaar 1929, in de tijd dat hij organist was van de Grote Kerk te Schiedam (1929-1938). Daarmee is de cirkel dus rond! Bijzonder is ook dat de melodie van Psalm 75 niet-ritmisch wordt behandeld, conform de manier van zingen in die tijd. De invloeden van Franck en Reger zijn ook weer duidelijk aanwezig.
Toen Schuurman in 1942 zijn eerste concert gaf als organist van Joriskerk te Amersfoort, opende hij met de Toccata en Fuga in d BWV 565, en om deze reden speel ik dit ook op mijn jubileumconcert.
Vervolgens het werkelijk prachtige Andante mit Variationen van Felix Mendelssohn-Bartholdy. Dat is wat zeg, wat een melodie!
Dan een eigen compositie, passend bij deze mijlpaal: Inleiding en Canonische bewerking over ‘Jezus ga ons voor op het levensspoor’. Ik eindig met de grootse bewerking van Schuurman over ‘Voor alle heil’gen in de heerlijkheid’ uit 1984.

Meer over het jubileumconcert

Jan J. van den Berg viert 70-jarig organistenjubileum

© 2016 fotografie Peter Sneep