ORGELPORTRET Flentrop-orgel Wilhelminakerk Bussum

‘Orgelportret’ is een nieuwe rubriek op Orgelnieuws.nl waarin orgels op een andere wijze voor het voetlicht worden gebracht. Niet alleen met een (historisch) feitenrelaas, maar ook in een breder perspectief, waarbij de klank een belangrijk aspect is. Dat kunnen opmerkelijke orgels zijn, onlangs gerestaureerde of nieuw gebouwde orgels, of orgels die op een of andere manier de randen van de actualiteit hebben geraakt.

In de eerste aflevering neemt Theo Visser de aftrap met een portret van het Flentrop-orgel (1948) in de Wilhelminakerk te Bussum.

Het Flentroporgel (1948-49) in de Wilhelminakerk in Bussum is een opmerkelijke verschijning. Wie het front ziet, denkt wellicht eerst aan een pneumatisch orgel. Maar het orgel heeft een vrijstaande speeltafel met mechanische tractuur, met registerknoppen naar ‘oud-Hollands’ model die terrasvormig zijn aangebracht. De ‘pijpenschutting’ is meer dan dat: het weerspiegelt de opbouw van het orgel in Positief (in open opstelling), Hoofdwerk, Pedaal en Zwelwerk. De dispositie lijkt raadselachtig: wat doen registers als Cymbel en Scherp op een orgel met zwelwerk, dat tevens voorzien is van een Céleste?

Wie dit orgel goed wil begrijpen en naar waarde wil schatten doet er goed aan alle gangbare clichés over de ‘neobarok’ te vergeten, en dan met name die van de Deens-Nederlandse variant. Dat is niet alleen nodig om een goed beeld te krijgen van de internationale Orgelbewegung, maar ook om niet in de valkuil te trappen om elk orgel dat niet voldoet aan de alle ‘specificaties’ van een Deens-Nederlands ‘neobarokorgel’ terzijde te schuiven als een compromisorgel. Een dergelijke benadering werkt bevrijdend voor de geschiedschrijving van de Nederlandse orgelbouw en opent daarmee de weg naar een volledige appreciatie van name de orgels van de firma Flentrop. Het grote concertorgel van De Doelen, bijvoorbeeld, was in deze benadering dan niet langer een min of meer mislukt, want met de idealen van de ‘neobarok’ gerealiseerd ‘compromisorgel’, maar een overtuigend geheel waarin D.A. Flentrop bijna 40 jaar vakmanschap en idealisme als in een accolade samenvat. Simpeler gezegd, en ook in het geval van Bussum: een zwelwerk niet als knieval naar de romantiek, maar als overtuigd statement van een integrale visie op klank en orgelbouw. Het orgel in Bussum kan zo worden gezien als een – in dit geval voorlopig – hoogtepunt in de ontwikkeling van de orgelmakerskunst van D.A. Flentrop. Dat spoedig daarna, denk aan het slechts twee jaar oudere orgel in Groenlo (1951), de inzichten voortgeschreden en anders uitgewerkt zijn, doet daar niets aan af.

Welke ontwikkelingen, en welke invloeden zijn te zoal zien en te horen in het Bussumse orgel? In de eerste plaats is dit natuurlijk de ‘triomf’ van de mechanische sleepladentractuur op de vooroorlogse pneumatiek en latere elektriek. Flentrop had al in 1944 in Wageningen deze kunst vertoond en in 1948 in Driebergen. Dat hij in 1948/49 een behoorlijk groot 3-klaviersorgel met een vrijstaande speeltafel en volledig mechanische, goed functionerende tractuur kon bouwen, mag rustig een opzienbarende prestatie heten. Het zou mij niet verbazen als in eerste instantie om een elektropneumatisch orgel gevraagd is en dat Flentrop vol overtuiging een mechanisch orgel wilde leveren. Het idee om een vrijstaande speeltafel met terrassen te maken is overigens ontleend aan het toenmalige Witte-orgel in Hoorn. Opmerkelijk is dan dat de registerknoppen niet het Witte-model volgen, maar een 17e/18e eeuwse vormgeving hebben, iets dat deel zou gaan uitmaken van Flentrops huisstijl. De dagelijkse omgang met oude Hollandse orgels, denk alleen maar aan de restauratie van het grote orgel in Alkmaar rond de tijd dat het Bussumse orgel gemaakt werd, en de bewondering voor deze instrumenten is onmiskenbaar.

In de dispositie van het Zwelwerk komen de oud-hollandse fluiten ook weer terug. Reeds in 1929 bezocht Flentrop ‘Orgelbewegte’ orgels van Furtwängler und Hammer en namen vader en zoon kennis van het werk van Mahrenholz. Het orgel van Bussum is daar een zeer herkenbare afspiegeling van: een variëteit aan fluitregisters, een deels nog op de 19e eeuw stoelend zwelwerk (met strijkers), op de ‘renaissance’ geïnspireerde tongwerken, hoge vulstemmen als Sifflet en Cymbel en een duidelijke klankkroon op de plena. Ook lopen er lijnen naar het werk van Frobenius, waar Flentrop enige tijd heeft gewerkt (met name de milde intonatie) en Klais (in de vormgeving van het front).

Hoe klinkt dit alles? Wat direct bij beluisteren opvalt is de grote homogeniteit in de klank. Bij een orgel als dat van Groenlo, slechts een paar jaar later gebouwd maar met in eigen atelier gemaakt pijpwerk, is dat al behoorlijk anders. De registers daar zijn veel gedifferentieerder en hebben een sterker individueel karakter. Prestanten en fluiten laten zich in Bussum daardoor uitstekend mengen. De relatief wijde mensuren van de prestanten spelen hierbij een rol; ze zijn slechts zeer mild strijkend en rond van klank. De fluiten hebben een individueel, verschillend karakter maar gedragen zich als voortreffelijke ensemblespelers. Een Roerfluit bijvoorbeeld, wil zich nog wel eens eigenzinnig gedragen met een gekruide boventoonrijke klank, in Bussum is daar geen sprake van. De Nachthoorn 2’ en de Octaaf 2’ van het Hoofdwerk zijn allebei met evenveel gemak te gebruiken zijn als hoogste register in het ‘voor-plenum’. Een andere illustratie van homogeniteit is het gegeven dat het Positief geen Octaaf 4’ heeft maar een wijde Open Fluit 4, die uitstekend dienst doet (samen met de Holpijp) als basis voor combinaties met bijvoorbeeld de Octaaf 2, de Quint 1 1/3 of de Scherp. Ook de Sexquialter is wijd van mensuur en doet het toch prima in grote registraties. De strijkers op het Bovenwerk zijn nauwelijks orkestraal geprononceerd en sluiten daardoor aan bij het milde karakter van de overige grondstemmen. De hoge, maar zo te horen zeker niet te eng gemensureerde vulstemmen geven de nodige kleur aan het homogene karakter van de grondstemmen, en geven kracht aan het tutti. Ze geven een karakteristiek ‘rinkelende’ klank maar zijn zeker niet te luid. De verschillende koren klinken egaal en goed hecht met elkaar ‘in verband’.

Ook bij de aanspraak is het woord ‘homogeen’ van toepassing. Dit geldt voor de individuele pijp, maar ook voor de registers onderling. Karakteristiek is een combinatie van mildheid en belijning: de aanspraak is duidelijk zonder dat er sprake is van gepronceerde ‘onharmonische’ aanspraakverschijnselen als ‘spuck’, maar ook zonder dat er sprake is van weekheid of al te grote omfloerstheid. Hier is sprake van een delicaat en uitgebalanceerd evenwicht, dat aan het orgel een bijzondere karakteristiek verleent. Bijzondere vermelding verdienen enkele register van het Positief. De Quintadeen heeft een boventoonrijke klank zonder dat het kwinterig gaat neuzelen en een zuchtende aanspraak. De Open Fluit is werkelijk uniek te noemen. Hij staat in het front en heeft een dubbelrol als fluit en vervanger van een prestantregister in diverse combinaties. Daarnaast is het een soloregister met bijna de kwaliteiten van een Flûte Harmonique. Aan de speeltafel klinkt deze stem vrij luid en lijken de aanspraak en de ruis wat teveel van het goede, beneden in de kerk werkt het prachtig.

De tongwerken zijn geleverd door Masure in Frankrijk en zijn een verhaal apart. Hoewel hun Franse afkomst herkenbaar is klinken ze enigszins dof en niet bijzonder luid. De Schalmei is mild en zit tussen een Echo Trompet en een Hobo in. Zowel Kromhoorn als Schalmei zijn dusdanig rond dat ze heel in de verte doen denken aan de klank van doorslaande tongwerken. Ook de hoofdwerktrompet is aan de zachte kant. De tongwerken kleuren de labiale grondstemmen in, maar geven er geen helderheid en kracht aan. Anders dan bij latere orgels het geval is fungeren ze ook niet als boventoonrijk bindmiddel tussen de grondstemmen en hoge (engere) mixturen, en dat is hier gezien de homogeniteit van de plena ook niet nodig. De Bombarde 16’ in het pedaal heeft het in z’n eentje wat moeilijk. De tonen missen over het algemeen wat grond zonder dat er vurige helderheid tegenover staat. Bij ons bezoek klonk dit register (evenals de Trompet) nogal inegaal. Zowel van de Trompet als van de Bombarde klonken de tonen op F groot krachtiger en vooral ronder en helderder dan de rest, misschien waren het twee proeftonen?

Binnenkort ondergaat dit orgel een grondige renovatie, volgens de tekst bij de vacature voor een tweede organist. Koos van ’t Hul, de eerste organist, vertelde op Facebook dat het uitgangspunt was om diverse registers beter te laten mengen en om iets te doen aan ‘onbruikbare’ en moeilijk te stemmen tongwerken. Intonatiegebreken bij tongwerken verhelpen is natuurlijk een prima idee. Het is echter de vraag of de bouwwijze en factuur van de Bombarde een bevredigende herintonatie toestaat. De Trompet op het hoofdwerk mag wel wat krachtiger en helderder. Daarbij moet echter worden bedacht dat de kracht door dit orgel meer door de Mixturen dan door de tongwerken geleverd wordt en dat het klankkarakter van de tongwerken op Pos en BW mild is. Een al te krachtige en heldere Trompet past niet bij het overwegend milde en homogene karakter van de grondstemmen en niet bij de tongwerken Schalmei en Kromhoorn.

Uiteraard staat het nut en de noodzaak van een goede onderhoudsbeurt buiten kijf. Daaronder valt het controleren van de egaliteit per register, het nazien en indien nodig herstellen van de mechaniek (wellicht verbetert de repetitiesnelheid van het Positief dan ook?) en zo is er nog wel meer te bedenken. Dit is echter duidelijk iets anders dan het aanpassen en wijzigen van de intonatie.

De wens om registers meer te laten mengen is bovendien problematisch. De verschillende registers klinken al dermate homogeen dat deze wens moeilijk te begrijpen is. Aan de speeltafel klinkt het positief vrij direct, maar in de kerk zijn de verhoudingen uitstekend. Enkele registers (Quintadeen en Open Fluit, Sexquialter) hebben duidelijk solistische trekjes, dus die hoeven ook niet te mengen met de begeleiding (op HW of BW) zolang ze zich maar niet van de rest van het orgel loszingen. En dat doen ze in de verste verte niet. Als je de Mixturen (Mixtuur en Scherp, de Cymbel klinkt vrij bescheiden) nog beter zou willen laten aansluiten bij de grondstemmen verliest het orgel direkt kracht, kleur en belijning.

Wat zou er dan beoogd worden met een grondige renovatie? Aanspraak is een belangrijk element in de klankkleur en in de mate waarin je een pijp individueel hoort klinken. Meer versmelting kan dan bereikt worden door de aanspraak wolliger, meer diffuus te maken. Maar waarom zou je een al homogeen klinkend orgel nog homogener willen laten klinken? Belangrijke overweging hierbij zou de akoestiek moeten zijn: er ligt een behoorlijk dik tapijt op de vloer in de kerkzaal. Met name in het midden van de kerkzaal is het absorberend effect hiervan goed waarneembaar. Ook speelt een rol dat het orgel vrij hoog in het midden van een vrij diep balkon staat. Het orgel heeft een achterwand, maar achter het orgel is nog een vrij grote half open ruimte. Dit alles zorgt er voor dat er factoren zijn die het orgel enigszins diffuus maken. Als je nu in deze omstandigheden een grotere menging van de registers nastreeft, is het gevaar levensgroot dat dit ten koste gaat van draagkracht, helderheid en karakter. Je houdt dan een generieke orgelklank over waar kraak noch smaak aan is, met name in de kerkzaal. Wederom: homogeniteit is op dit moment al een belangrijke karakteristiek van het orgel.

Daarom enkele vragen bij het plan voor een grondige renovatie aan de opdrachtgever, de adviseur en de orgelmaker die het werk gaat uitvoeren. Wat is precies het ‘probleem’ bij dit orgel? Is er een integrale klankanalyse gemaakt? Welk klankideaal staat de opdrachtgever voor ogen, en welke orgels dienen als voorbeeld? Is er een risico-analyse gemaakt: zijn de verwachtingen niet te hoog? Wat is het renovatieplan: welke registers worden ‘aangepakt’, welke intonatiemethoden worden gebruikt/geaccepteerd en welke niet?

Tot slot echter de allerbelangrijkste vraag: zou niet het mogelijk zijn om dit orgel met respect te benaderen en in te zien dat het hier een belangrijk en vooral uniek monument betreft? Belangrijk in de bedrijfsgeschiedenis van Flentrop, de belangrijkste Nederlandse orgelmaker van de 20e eeuw, belangrijk in de nationale geschiedenis en belangrijk in internationaal perspectief. Het tot op heden gaaf bewaarde klankbeeld verdient alle bescherming! [THEO VISSER]

Met dank aan Gerben Mourik.

Meer informatie over het orgel (met dispositie):

http://www.flentrop.nl/orgelbouw/bussum_wilh.html

Geluidsvoorbeelden

1. Fluitenkoren, Sexquialter solo, later strijkers Zwelwerk met onder andere Open Fluit en Quintadeen solo (improvisatie Gerben Mourik)

2. Diverse plena (met tongwerken), opbouw naar tutti (improvisatie Gerben Mourik)

Reageren kan ook via info@orgelnieuws.nl

© 2013 www.orgelnieuws.nl

© 2013 fotografie: Theo Visser

© 2013 geluidsfragmenten: Gerben Mourik